Geslaagd!

Geslaagd!

Hij en ik wisten het al een tijdje, de datum van zijn eerste rij-examen. Ik had met dochterlief al genoeg ervaring opgedaan om te weten dat het verspreiden van die datum niet veel goeds brengt. Ten eerste blijft iedereen vragen of je zenuwachtig bent, of je denkt dat je gaat slagen en meer van dat soort onzinnige vragen waar je niets mee kan. Ten tweede, mocht je zakken, moet je iedereen, met lood in je schoenen, vertellen dat je gezakt bent. Beide punten liggen niet in de aard van mijn zoon (of in mijn aard) dus we hielden het geheim. We spraken er zelfs samen niet eens over.

Op die vreselijk vroege ochtend van 26 februari liep hij enigszins nerveus de deur uit. Zoals bij elke andere les riep ik enthousiast: ‘SUCCES!’ om er vooral geen extra spanning aan toe te voegen. Maar wat was het spannend! De tijd tikte, langzamer dan anders, voorbij terwijl ik nagelbijtend achter mijn beeldscherm zat.

Tot ik herkenbaar geklets op de parkeerplaats hoorde (ja, ik heb het gehoor van een grote wasmot). Ik spiek stiekem vanachter het gordijn en ik zie zoonlief, met de grootste grijns die ik tot nu toe ooit op zijn gezicht heb gezien, aan komen lopen. Ik trek de deur open en vraag de meest stomme vraag in mijn leven: ‘En? Geslaagd?’ Hij rolt met zijn ogen en knikt.

Pas nadat hij is bijgekomen van de ochtend, komt het hele verhaal eruit. Alsof de informatie even verwerkt moest worden in zijn hoofd. Over de route, de examinator, de gespreksstof, hoe hij reed en dat ie eerst dacht dat ie gezakt was maar toen toch geslaagd. Ik knal zowat uit elkaar van trots. Binnen een jaar en in één keer zijn rijbewijs gehaald!

Diezelfde middag gaan we het gelijk aanvragen op het gemeentehuis. ‘Met spoed graag.’ zeg ik tegen de mevrouw achter de balie, die me aankijkt met een gezicht alsof er weer zo’n verwend, rijkeluiskindje voor haar zat. Ik trek me er niets van aan. Ik weet hoe hard ik hiervoor heb moeten werken. De volgende dag kan hij zijn rijbewijs al ophalen. Nog een beetje onwennig stapt hij in zijn Ford Kaatje om zijn eerste rondje te gaan rijden. Vanaf dat moment is het hek van de dam. Ik hoef geen boodschapje meer te doen want ik heb mijn persoonlijke bezorgservice.

Zelfs voor mijn dagopname in het ziekenhuis kon ik nu gewoon zeggen: Zoon, jij brengt me. Dochter, jij haalt me op! Het heeft wat mogen kosten, maar dan heb je ook wat! Je eigen persoonlijke taxi- en bezorgdienst.

Leef!

Leef!

Het is 8:03, 21 november 2001. Mijn vliezen breken en met een flinke weeën golf wordt niet veel later, om precies 10.00 uur op een niet afgewerkt toilet, werkelijk het allerliefste wezen op deze aarde geboren. Ik kijk hem aan. Hij kijkt mij aan en tovert de mooiste glimlach op zijn kleine, pure gezichtje alsof hij wil zeggen: ‘Hallo mam, ik ben er! Nu komt alles goed.’ Mijn binkie was geboren.

Het is 7:39, 21 november 2019. Mijn kleine binkie is een grote man geworden. ‘Hij staat er al.’ mompelt hij. Doelend op zijn rij-instructeur die hem komt ophalen voor zijn tussentijdsetoets voor zijn rijbewijs. Terwijl hij lichtelijk nerveus in de auto stap, kruip ik achter mijn computer. Op de radio speelt zachtje: ‘ When your secret heart cannot speak so easily. Have a little faith in me.’ Ik wil wat schrijven, ik wil wat doen. Ik wil blij zijn en trots maar mijn nu volwassen zoon is gesteld op zijn privacy. Berichten op Facebook hoeft niet. Feestjes ook niet. Blogs zijn ook niet helemaal zijn ding, als het over hem gaat, want de andere blogs leest ie met plezier. Dus staar ik naar mijn beeldscherm en denk terug aan de laatste 18 jaar.

Zijn leven is niet makkelijk geweest. Als chronisch zieke jongen werd hij door zijn moeder van dokter naar dokter gesleept. Behandeling na behandeling in de hoop dat het zou aanslaan. Hij ging er gelaten in mee en deed bij elke dokter weer het vragenrondje beantwoorden. Om uiteindelijk te eindigen bij de Addisson Biermer-ziekte waarvoor hij dagelijks injecties moet krijgen. Niet leuk voor een puber maar zonder overleeft hij het niet.

Mijn knappe, mooie en vooral lieve, geweldige zoon. Er bestaan geen woorden voor om jou te omschrijven zoals je bent. Je leven begon in chaos en je besloot zelf de man in huis te willen zijn. Sterker dan sterk, koppiger dan koppig, slimmer dan slim en liever dan lief. Daar waar orkanen raasden, liet jij de zon weer schijnen door je stralende glimlach. Wanneer het donker was, zorgde jij voor lichtpuntjes. Een echt knuffelkind toen je nog jong was. Een slim kind toen je wat ouder werd. De Ikea kastjes werden zonder problemen in elkaar gezet alsof het niks was. Je was mijn lopende calculator in de winkel.

Vandaag ben je 18 geworden en het wordt nu tijd om je eigen weg te volgen. Je zelfopgelegde zorgtaken zitten er op. Ga de wereld rond. Volg je gevoel en natuurlijk de kaart op Google maps. Bouw je Zundapp. Proef nieuwe gerechten. Zoek die bergtop waar je al zo lang op wilt zitten.

Leef! Leef je leven. De chaos is opgeruimd. De orkanen zijn gaan liggen. Je kunt met een gerust hart de wereld rond. Maar wanneer je een klein momentje vindt in dat drukke leven, stuur dan het bekende zwarte duimpje om te laten weten hoe geweldig het leven ook kan zijn! Want ik zal hier voor eeuwig en altijd jouw terugvalbasis zijn voor wanneer je nog heel even gewoon weer kind wilt zijn met een glaasje cola en een zakje chips.

‘You see time, time is our friend. Cause for us there is no end. And all you gotta do is have a little faith in me.’

 

Vallende puzzelstukjes

Vallende puzzelstukjes

Een doorsnee ochtend van de gemiddelde persoon begint ‘s morgens met rustig wakker worden, een krantje, een kopje koffie en misschien een ontbijtje. Mijn doorsnee ochtend begint met een kopje thee en de drama.

Nog vóórdat het negen uur was had ik al een vriend die zo ziek was, dat ie waarschijnlijk naar het ziekenhuis gebracht moest gaan worden, tegelijkertijd al om negen uur een afspraak met zoonlief bij de dokter midden in Rotterdam-Zuid, een huilend kind aan de telefoon waarvan de kat eindelijk na een week verlamd was thuis gekomen en dan was er ook nog een auto-drama wat opgelost moest gaan worden en iets met een stage. Waar moest ik in Godesnaam beginnen?

Na mijn eerste kop thee begon ik met vriendlief naar de dokter te sturen, daarna nam ik zoonlief mee naar de dokter in Zuid terwijl ik in de auto belde met Dochterlief. Het gesprek met de dokter van Zoonlief duurde lang dus toen we uiteindelijk buiten stonden, zag ik een heleboel gemiste oproepen en één bericht van vriendlief. Ziekenhuis bezoek was niet meer nodig. Nieuwe medicatie gehad! Dat probleem kon ik afvinken. Het was de eerste hap lucht in mijn drukke dag. Snel belde ik Dochterlief terug. De verlamde kat had het helaas niet overleefd. Al snikkend en snotterend, hakkelend en stotterend vertelde ze haar verhaal en eindigde dat ze niet weg kon bij de dierenarts omdat de rekening nog niet voldaan was. Terwijl ik nog met haar aan de telefoon zit en mijn weg door Zuid naar huis probeer te vinden, vol doe ik via mijn telefoon snel de rekening zodat ze naar huis kon.

Ik kijk naar zoonlief. Moe en vooral niet voldaan zit hij naast me in de auto voor zich uit te staren. Een appje rinkelt op mijn telefoon. Dochter geeft door dat ik toch niet mee hoef naar Almere om een auto op te halen. Opnieuw lucht in mijn agenda maar stress in haar agenda. De rest van haar middag bestaat voor uit het zoeken naar een auto die ze vóór morgen nodig heeft. Mijn middag bestaat uit regelen, brengen, zorgen, halen, regelen, zorgen. Ik heb er vertrouwen in dat Zoonlief het red op zijn werk, hij had er wat minder vertrouwen in, maar vertrouwde op mij, dat ik hem vertrouwde dat het hem wel zou lukken en dus ging hij toch maar aan de slag.

Als ik zoonlief aan het eind van de dag weer uit zijn werk haal, zie ik dat hij zich wat beter voelt. Ik had gelijk. Ondertussen belt dochterlief weer, ze heeft een auto, of ik haar nog kan brengen. Snel breng ik zoonlief met boodschappen thuis, maak een snel een pan verse kippensoep voor zoon en vriend en vlieg de deur weer uit om dochterlief op te halen. Als we niet veel later heel interessant onder de motorkap staan te kijken, voelen we ons wel heel dom. ‘We hadden vriendlief mee moeten nemen.’ zeggen we allebei te gelijk en grinniken.

Na een stuntelend testrondje op het industrieterrein, is de auto verkocht. Terwijl dochterlief de papierenhandel afhandelt met het bedrijf, lees ik een berichtje van vriendlief. Hij kon niet wachten om aan zoonlief het projectidee, wat ik die middag had verzonnen, te vertellen. Samen een oude brommer opknappen. Vriendlief appt dat ie enthousiast reageerde.

En dan ineens, *start de emotionele muziek* daar in die vage garagebox op een industrieterrein ergens in Moordrecht, gloort er ineens weer een heel klein streepje licht aan de horizon. Bij dochterlief valt op dat moment de stress weg want ze heeft een veilige auto geregeld voor haar werk. Zoonlief heeft zin in het project.

Als ik later die avond moe maar voldaan thuis op de bank plof, zet vriendlief een grote mok warme choco met slagroom voor me neer. Met een dikke knuffel bevestigt hij nog maar een keer wat een geweldige moeder ik ben, dat ik zo goed weet wat ze allebei nodig hebben en dat ik er ook ben voor hun. Ik glimlach met een snor van slagroom. Ik hoef geen schouderklopjes, ik wil gewoon dat mijn kinderen gelukkig zijn. Als zij gelukkig zijn, ben ik het ook.

Er zijn van die dagen waarvan bij voorbaat al verwacht dat ze kansloos zijn maar dan ineens valt alles precies op de juiste plek en blijkt ie toch ineens een verrassend goed einde te krijgen. Ik geloof dat het Frank was die daar jaren geleden al over zong. ‘Each time I find myself layin’ flat on my face. I just pick myself up and get back in the race. That’s Life!’

 

Hier is niet daar

Hier is niet daar

Het is de laatste dag dat we de kinderen hebben. We zijn onderweg naar Plymouth als ik een hotline heb met Nederland. Zoonlief is ziek. Dochterlief is onderweg naar hem. Oma probeert ook bij te springen en ik zit kansloos met mijn telefoon in mijn handen en voel de tranen branden. Dit was niet wat ik in gedachte had toen ik de trip boekte.

Ik was hier nog maar net, toen mijn dochter belde dat ze opa met spoed naar het ziekenhuis moest brengen. Normaal ben ik altijd de go-to-dochter, nu moest dochterlief het overnemen. Ze houdt me op de hoogte en uiteindelijk kunnen we allemaal opgelucht adem halen. Een paar dagen later appt dochterlief dat ze, terwijl ze met een gangetje van 100 over de snelweg sjeesde met kind en hond achterin, ineens een klapband had en zowat een innige omhelzing met de vangrail had. Mijn hart zakt lager dan laag bij het idee wat er allemaal mis had kunnen gaan, als ze niet zo geweldig had gereageerd. Als ze uiteindelijk belt om het hele verhaal te vertellen, hoor ik de stress in haar stem en ik wil alleen maar terug om haar stevig vast te houden totdat de stress uit haar lichaam weg ebt. Maar ik zit hier, niet daar.

Net wanneer je denkt dat de rust is terug gekeerd, blijkt zoonlief behoorlijk ziek te zijn. Het aloude b12 verhaal. Hij wil zelf geen injectie zetten. Hij wil niet naar de dokter. Hij wil gewoon eigenlijk helemaal niks. Dwarse puber als dat ie is, gaat ie overal tegen in en mag ik niet zeuren. Het is géén B12, appt ie geïrriteerd terug.  Dochterlief is ook bezorgd en gaat kijken hoe het met hem gaat. Ze stuurt een foto van hun samen. Het voelt alsof iemand heel hard in mijn hart knijpt, als ik hem op de foto zie zitten. Wat ziet hij er slecht uit en waarom neemt hij die verdomde injectie niet en waarom zit ik hier en ben ik niet daar?

We maken nog een laatste stop bij de Mac voordat we de kinderen in Plymouth afzetten. De meisjes kijken me stilletjes aan, niet begrijpend waarom ik tranen in mijn ogen heb. Waarom ik zo stil ben en niet de gekke Mimi die ze gewend zijn. Ik leg uit dat mijn zoon heel erg ziek is en dat ik me zorgen maak. De oudste geeft me haar speeltje van haar HappyMeal ‘for good luck’. De jongste weet niet goed wat ze moet zeggen. Normaal doe ik altijd gek. Ik zing keihard mee met Rick Astley. Ik sta raar te dansen in de kamer. Ik trek rare gezichten om ze aan het lachen te krijgen en ik doe heel veel vlechten maken. Maar nu even niet. Nu zit ik met tranen in mijn ogen naar mijn telefoon te staren, bezorgd over mijn zoon, stilletjes aan tafel. Voor een moment haat ik het hier. Ik haat het dat ik zo ver weg ben. Ik wil weg. Ik wil niet hier zijn, ik wil daar zijn. Terug naar huis. Daar waar ik mijn kinderen veilig kan houden. Injecties kan zetten. Moeder kan zijn.

Niet veel later, nadat we de kinderen hebben afgezet, zitten we samen stilletjes in de auto. Ik probeer me groot te houden en niet te huilen. Vriendlief ziet het. ‘Gooi het er toch allemaal uit! Het komt echt wel weer goed.’ zegt hij bemoedigend. ‘We hebben een klok voor hem gekocht waar hij waarschijnlijk al een perfecte plek voor aan het zoeken is.’ Ik lach door mijn tranen heen. De twee uur durende rit trakteert ons op het uitzicht en landschap waar ik normaal zo van hou. Een ondergaande zon maakt het plaatje compleet door de lucht vuurrood te kleuren. Had ik hem maar hier bij me, dan kon ik er voor zorgen dat zijn pijn weer verdwijnt.

‘Nog 2,5 dag en dan ben ik weer thuis. Hou nog even vol!’ app ik hem. Maar er komt geen antwoord. Ik leg mijn telefoon weg en staar in de verte. Bij elk uitblijvend antwoord maak ik me meer zorgen. Het komt wel weer goed. Het moet wel weer goed komen. Nog 2,5 dag en dan ben ik weer thuis. Nog 2,5 dag voordat hij weer kan mopperen omdat ik hem weer om de oren sla met injecties en overbezorgd om hem heen kan dreutelen met medicijnen, pillen en lekker eten. Nog 2,5 dag. Dan ben ik weer daar en niet meer hier.

 

 

Hond, kat, deadline

Hond, kat, deadline

‘Mam, ben je al wakker?’ Kind 1 appt al vroeg in de ochtend. Ik was al een tijdje wakker dus ik antwoord direct terug dat ik wakker ben. Ze vraagt of ze de hond een uurtje mag komen brengen want ze heeft een vergadering op het werk waar hij echt niet bij kan zijn. Mijn afspraak had de vorige avond afgezegd dus ik vond het geen probleem. Ik had wel een strakke deadline voor een project wat vandaag echt af moest en had daar voor mezelf de ochtend voor gereserveerd. Dan zou de klant in de middag nog zijn reactie kunnen mailen, die ik kan verwerken voordat ik mijn koffer dicht rits en naar Engeland vertrek.

Niet veel later kwam haar vriend de hond brengen. De kat vloog van schrik met 4 poten, 5 meter de lucht in en plaste de hond midden in de kamer. Daarna vlogen ze zo’n 10 minuten achter elkaar aan tot ik de kat maar weer naar buiten gooide. Ik rende tussen mijn deadlijnende werk, de hond en de kat. Voor heel even dacht ik dat iedereen rustig was en ging weer achter mijn computer zitten. Ineens trok er een zeer penetrante geur langs mijn neus. Hond had zijn diarree-donatie op het tapijt gedaan. Ik slaak een hele diepe zucht en ruim alles maar weer op. Dit schiet duidelijk niet op.

De klok achter mij tikte dominant door. Help, stop de tijd! De hond ligt me vragend aan te  kijken en de kat springt voor de tiende keer op het aanrecht. Ik ben het zat en gooi ze allebei in de gang waar ze om de beurt heel hard blaffen en miauwen. Grrr mijn zenuwen worden tot het absolute uiteinde getest. Ik kan me nog herinneren uit mijn eigen jeugd dat we de dag voordat we op vakantie zouden gaan, moeders vooral niet moesten storen. Ik grinnik bij het idee dat ik haar zou vragen om dan op een hond te passen. Nee, daarin verschil ik als dag en nacht met mijn moeder. Nee zeggen tegen mijn kinderen blijft moeilijk. Net op het moment dat mijn rechteroog licht begint te trekken van de stress hoor ik een ‘fjiet-fjieuw’. Dochter appt dat ze onderweg. ‘Help is on the way’.

Niet veel later staat ze voor de deur en na een korte update, geeft ze de smiechterige Miller een aai over z’n bol, die daarop zijn allerschattigste kittengezichtje trekt, want oh wat is ie toch een schatje, en neemt ze de hond weer mee. In een absoluut recordtijd maak ik het project af zodat ik daarna de rest van mijn werk kan doen en uiteindelijk de koffer en de auto kan pakken. Het blijft toch moeilijk om dat superhero cape-je in de kast te laten hangen.

 

Kwetsbaar

Kwetsbaar

‘Ga nou maar naar huis, mam, ik voel me echt beter!’ zegt dochterlief met klem. Ik kijk haar onderzoekend aan. Ze ziet er ook wel wat beter uit en ze praat weer normaal. Normaal voor haar doen dan want het blijft dochterlief die vaak van de hak op de tak springt in haar verhaal. Ze kijkt me helder aan. ‘Echt! Ga naar huis, M komt ook straks thuis. Je hebt je rust nodig.’ Ik geef haar een dikke knuffel, spreek de hond en de kat streng toe dat ze zich moeten gedragen en stap niet veel later in m’n rode autootje. Het regent en het dondert. De wind schudt mijn autootje flink door elkaar zoals ik de afgelopen 36 uur flink door elkaar ben geschud. Ik voel de vermoeidheid in mijn lijf opborrelen, tegelijk met een enorme huilbui en ik ben me opnieuw bewust van de kwetsbaarheid van het leven.

Dochterlief klaagde al een tijdje over buikpijn en niet lekker voelen. Het zal de stress wel zijn. Ik weet niet of ze dat van mij heeft geleerd maar ze voelt zich altijd geroepen om de hele wereld te redden. Vriendin 1 komt met relationele problemen, vriend 2 heeft verslavingsproblemen, vriend 3 is net bedrogen, vriend 4 heeft problemen met de politie. Ze vangt alles en iedereen op, in haar eigen huisje. Er staat altijd een bed en een kop koffie klaar voor de volgende die wil komen uithuilen. ‘Zorg nou eens voor jezelf.’ blijf ik roepen. Dit gaat niet goed zo. Maar ze luistert niet want ze is druk met de wereld redden. Uiteindelijk gaat ze met de pijn toch naar de dokter. ‘Neem maar een maagtabletje.’ had de dokter gezegd. Maar dat maagtabletje werkte niet. Ze werd vermoeider, zieker en iedereen bleef haar maar belasten. Het was woensdagavond dat ik nog snel met pillen, poeders, eten en drinken naar haar toe reed. Van al die vrienden die ze geholpen had, was er niemand om haar te helpen. Ziekjes lag ze op de bank terwijl de hond en de kat door het huis sjeesden. Ik bleef even bij haar maar als snel zei ze dat ze naar bed wilde.

De volgende dag belde ze me, zoals elke dag, even op om haar dag door te nemen. Ze klonk zieker. ‘Bel de dokter!’ bleef ik roepen. Geïrriteerd riep ze dat ie toch geen tijd had en dat ze vrijdag een afspraak had. ‘Ik maak even mijn werk af en dan kom ik weer met eten en drinken.’ zei ik tegen haar. We hingen op. Ze zou proberen wat te gaan slapen. Niet veel later belde ze huilend op. ‘Mam, weet je wat ik nog meer aan de pijn kan doen?’ Mijn hart brak toen ik haar zo enorm hoorde snikken.
‘Bel NU de dokter.’
‘Ja maar die….”
‘Nu! Of ik sleep je direct naar het ziekenhuis.’
De angst om haar eigen risicio te moeten betalen van bijna 400 euro deed haar toegeven om de dokter opnieuw te bellen. Omdat onze eigen dokterspraktijk dicht was, moest ze naar de vervanger. Ze kon direct komen. Ik haalde haar direct op. De hond moest maar even in de bench. Ik schrok toen ik haar zag. Dit was niet goed. Elke hobbel die ik nam met de auto, en in Nederland zijn er heel veel hobbels, kermde ze van de pijn. De dokter nam haar klachten godzijdank serieus. Zo serieus dat hij direct het ziekenhuis belde en dingen mompelde als pancreatitis, tumor, trombose in de buikholte. Dochterlief en ik keken elkaar aan. Schrik! Uiteindelijk hing hij op en zij hij dat we met spoed naar het ziekenhuis moesten.

Met de sirene op mijn dak sjeesde ik weer terug naar Gouda. Ze werd met de seconde zieker. Ze werd aangemeld, er werd bloed afgenomen en toen begon het lange wachten. Wachten op bloeduitslagen. Wachten op uitslag van de onderzoeken. Wachten op CT scan en echo. Gelukkig kreeg ze halverwege de avond morfine voor de pijn en dat hielp. Het meest grappige van de hele avond was het gesprek tussen dochterlief die zwaar aan de morfine zat, en vriendin zoveel die zwaar aan de wiet zat.

Uiteindelijk kwam de chirurg himself binnen lopen waarvan wij dachten dat het een taxi chauffeur was die het verkeerde hokje had gekozen. Het was nog steeds onduidelijk wat het nou was. Er zat een ontsteking in de darmen maar of dat nou de dikke, de dunne of de blinde was, konden ze niet vaststellen. Ze moest blijven. De ogen van dochterlief konden niet groter worden en ze mompelde dat ze niet wilde blijven. Ze had geen keus. Ze mocht niet naar huis. De dokters waren zelf geschrokken van de enorme hoge ontstekingswaarden in haar bloed. Ze kreeg direct antibiotica via een infuus, werd door een verpleegster in een rolstoel gezet en van mij verwacht dat ik afscheid nam. ‘Morgen om half 2 is er bezoekuur!’ zei het arrogante grietje dat waarschijnlijk zelf geen kinderen heeft dus niet weet hoe moeilijk het is om je zieke kind los te laten. Ze keek me aan met een attitude die zei: ‘mevrouw ze is 20, dat loslaten had al jaren eerder moeten gebeuren.’ Ik gaf dochterlief een dikke knuffel, wenste haar sterkte en zei dat ze me de hele nacht kon appen of bellen mocht ze dat willen. Huilend van ellende rolde de verpleegster haar weg en ik stond daar verlaten in de gang, met haar jas nog in mijn hand. Maar daarmee was mijn avond nog niet voorbij want een vriend zou de hond ophalen en die naar mij brengen. Alsof ik nog niet lang genoeg gewacht had die avond, mocht ik ook nog een uurtje op die vriend wachten. Hij was niet de snelste. Iets met sleutels in het contact laten zitten en reserve sleutels. Kon er ook nog wel bij. Uiteindelijk was het 12 uur voordat ik thuis was.

Na een hele korte nacht van weinig slaap, vloog ik de volgende ochtend met hond weer naar haar huis. De kat zat nog binnen. Het huis was een chaos, doordat ze zo ziek was geweest had ze weinig meer kunnen doen dus ik stroopte mijn mouwen op, gooide hond en kat naar buiten en ging aan de slag. Terwijl het wasmachientje zachtjes stond te purren, ging ik als een soort witte tornado door het huis, zodat het binnen twee uur er weer redelijk uitzag. Ondertussen was het bijna bezoekuurtijd. Natuurlijk hadden we al de hele ochtend contact en was de kans groot dat ze naar huis mocht. Ik bracht de hond weer terug naar zoonlief en vloog weer door naar het ziekenhuis. Na een doolhof aan wandelgangen, vond ik haar eindelijk erg wakker en alert in bed. Wat een verschil met de avond ervoor.

De dokter zag het ook en niet veel later kreeg ze het goede nieuws dat ze naar huis mocht dus na alle onderzoeken, stress, slangetjes, infusen, liep ze ineens de afdeling af. Mijn hoofd kon het nog niet verwerken. ‘Heb je echt geen pijn? Geen koorts? Voel je je wel goed? Moet je niet in een rolstoel?’
‘Mam, ik wil alleen een douche!’
Ik bracht haar eerst thuis en ging daarna snel de hond ophalen. Tussendoor nam ik vlug nog wat te eten mee. Toen ik terugkwam met hond, lag ze alweer op de bank met dekentje. De reis terug was blijkbaar vermoeiend geweest. Omdat ik haar nog  niet alleen wilde laten, besloot ik te blijven tot haar vriend weer thuis zou komen. De avond viel en ik zag haar weer zieker worden. Af en toe viel ze in slaap en schrok ze weer wakker. Dit ging niet goed en ze moest van mij wéér de SEH bellen. ‘Probeer wat zoute bouillon te drinken.’ was hun advies. Raar, dacht ik maar okay we proberen het. Na de eerste beker kwam er een dikke boer uit en verscheen er weer wat kleur. Na de tweede beker zat ze ineens weer een beetje rechtop. Na de derde en vierde beker kreeg ze weer praatjes en tegen de tijd dat de vijfde en zesde beker op waren, was ze weer normaal.

‘Ga nou maar naar huis, mam, ik voel me echt beter!’
Het stormt, regent en dondert. Ik rij de donkere nacht in terwijl de tranen over mijn wangen biggelen. Ik ben de laatste 36 uur soort van sterk geweest maar nu moet ik even huilen want ineens besef je, hoe kwetsbaar je bent. Hoe je ineens van gezond naar heel ziek kunt worden. Het had die nacht alle kanten op kunnen gaan, van tumor naar blindedarm. Ik besef des te meer dat ik al heel veel shit achter de rug heb en ik kan ook heel veel shit aan maar wanneer het mijn kinderen betreft, ben ik echt kansloos verloren. Dan ben ik niet meer de sterke moeder die overeind blijf staan en roept dat het allemaal goed komt. Terwijl dochterlief zich op de bank nestelt met hond en kat, zit ik een potje te huilen in mijn kleine, rode autootje in de donkere storm langs de kant van de weg. Het moet er even uit voordat ik weer thuis ben. Want thuis zit zoonlief op mij te wachten met een kopje thee. Ik zie aan zijn gezicht dat hij zich ook zorgen heeft gemaakt. We praten heel even voordat we allebei weer naar boven gaan. Hij terug naar zijn game en ik naar bed, hopende dat, nu alles beter lijkt te gaan, ik ook iets beter zal slapen.