Het leek zo’n goed idee, even weg te gaan uit de stress van ziekenhuizen en onderzoeken. Gewoon even resetten in Relubbus om daarna weer enthousiast aan alle onderzoeken deel te nemen. Het thuisfront kon niet wachten tot ik vertrok dus ik besloot ook nog eens een dag extra er aan te plakken. Als ik op donderdag zou vertrekken, zou ik de vakantiedrukte voor zijn. Het was leuk bedacht. Zoals al mijn plannen, liep dit plan ook weer behoorlijk in de soep. Ik zeg niet voor niets: ‘plannen zijn er om veranderd te worden.’ als iemand me weer naar ‘mijn plan’ vraagt. Ik plan doorgaans niet. Ik weet dat er toch nooit wat van terecht komt. Daar heb ik ooit besloten om gewoon bij de dag te leven. Scheelt een berg aan energie doordat ik niet meer hoef te plannen of plannen te wijzigen. Of gestrest te raken dat mijn plan wijzigt.

In de dagen voor mijn vertrek, stapelden de problemen zich al op. Kleine dingetjes, dat wel, maar toch van die dingetjes die mij het gevoel gaven, dat ik beter thuis kon blijven. Ik rook de ellende in de lucht. Ik probeerde het weg te wuiven, pakte zorgvuldig mijn koffer en mijn tekenspullen in om alsnog gewoon naar Cornwall te rijden.

Zoals altijd, sliep ik weinig op de avond voor vertrek. Op de één of andere manier ben je toch onbewust bezig met de reis, niet willen verslapen, de trein niet willen missen. Om kwart voor drie ‘s nachts was ik klaar, helemaal, wakker. Ik besloot er maar uit te gaan, te ontbijten en mijn laatste spulletjes te pakken. Eenmaal aangekleed en klaar voor vertrek, zei ik het thuisfront nog even gedag en vertrok uiteindelijk 3.40 richting Calais.

Ik moet toegeven dat het geen geweldig besluit was geweest om zo moe te gaan rijden maar ik had geboekt dus ik moest wel gaan. Toen het in België ook nog flink begon te regenen en waaien, kreeg ik steeds meer moeite om op de weg te blijven. Ik had maar één doel voor ogen en dat was de trein halen. Veel te vroeg kwam ik al om half zeven aan in Calais. Mooi! Ik zou vast een vroegere trein krijgen. Helaas! Ik werd gewoon voor 7.55 geboekt. Ik kon er mee leven. Uit ervaring wist ik dat ik dan alsnog op tijd in Cornwall zou aankomen. Ik pakte, echt Hollands, mijn thermoskannetje en mijn pakje boterhammen uit mijn tas en scrolde wat door mijn Social Media heen.

Rond half acht plaatselijke tijd kwam ik aan in Folkestone. Zoals altijd reed ik eerst naar Tesco voor boodschappen en benzine. Traditiegetrouw was de kassière weer uitermate lief en vriendelijk en nog net zo traag. Ach who cares om half acht ‘s morgens.  Ik had mijn natje en m’n droogje voor de komende dagen, mijn auto zat vol met benzine. Het laatste stuk van de rit kon beginnen. Vol goede moed reed ik in zeven uur naar Relubbus. Gekkenwerk! Maar ik was moe en ik wilde er gewoon zijn!

Om 14.24 plaatselijke tijd reed ik vrolijk het park op. Iedereen zwaaide vrolijk en ik zwaaide vrolijk terug. Wat is het hier toch altijd heerlijk. Totdat er ineens, 50 meter voordat ik bij mijn caravannetje was, een hysterische dame voor mijn auto sprong. Ik trapte verschrikte op de rem. Vijftig meter! Ik kon hem zien. Ik kon hem net niet aanraken. Toen ik op dat moment met een glimlach mijn raampje opendraaide, had ik geen idee wat me te wachten stond. Op bijna hysterische legde ze me uit dat ik het park niet op mocht.
‘What?’ vroeg ik stamelend. Ik ben moe maar niet zo moe dat ik waanideeën ga krijgen. Het park is tot 15 februari gesloten. Iedereen heeft er een brief over gehad. Het heeft op alle social media kanalen gestaan. Ik had het moeten weten, beet ze me snibbig toe. Ik voel de tranen prikken en stamel waar ik dan heen moet, ik ken hier niets. Dat interesseerde haar weinig. ‘De manager komt zo, vraag het maar aan hem!’ Beet ze me lelijk toe. ‘Maar ga er maar niet vanuit dat je kunt blijven.’

Ik parkeer de auto op de parkeerplaats en zie rechts van mij, de caravan staan. Zo dichtbij en toch net niet. Story of my life, denk ik bij mezelf. De tranen prikken niet meer maar stromen, net zo wild als het beekje naast me, over mijn wangen. Wat moet ik nou?
Niet veel later komt de manager met zijn vrouw. De manager die altijd met een vriendelijk woord en grapje klaar stond, blijft nu achter z’n vrouw in het donker staan. Ook zij zegt snibbig dat ik weg moet. Waar is de Cornische vriendelijkheid gebleven? Ik heb  twaalf uur gereden. Ik ben duizelig van vermoeidheid, er is een probleem en er wordt nog geen kopje thee aangeboden.

Hier blijven staan heeft geen zin. Ik druip af. Ik voel de ogen van de twee snibbige vrouwen als laserstralen in mijn rug branden. Als ik het kronkelende weggetje weer af rijd terug naar de doorgaande weg, stromen de tranen onophoudelijk. Het voelt een beetje als 1997, het jaar dat ik ineens voor een paar maanden dakloos en thuisloos was. Of 2003 toen de banken mij, m’n peuter en m’n baby het huis uit wilde zetten omdat Ex niet alleen ons, maar ook de banken had opgelicht. We stonden praktisch op straat. Zoveel oud zeer kwam er ineens naar boven in een overweldigende paniekreactie.

Ik parkeer mijn auto bij een KFC. Mensen die langslopen kijken raar. Gelukkig ben ik niet de enige met een slechte dag. Een stukje verderop staat een vrij corpulente vrouw, met een te vaak gebleekt permamentje, overdreven hard te krijsen tegen iemand in de auto. Ik vermoed dat het haar partner was. Door mijn tranendal heen moet ik er om grinniken. Dit verzin je niet. Dit is mijn leven. Daar sta ik dan weer, met m’n koffertje, op een parkeerplaats, zonder verblijfplaats terwijl Coronation Street, achter mij een scene aan het oefenen is. Ik probeer heel hard mijn tranen weer weg te slikken. Vriendlief belt. Hij heeft uiteindelijk een hotelkamer gevonden, niet heel ver van mijn parkeerplaats vandaan. Het is maar 15 minuten rijden. Bijna alles was of vol of gesloten. Ik zag het positieve er maar weer van in. Ik heb vast een kamer met bad.

Ik start de auto en rij dezelfde weg terug als dat ik gekomen ben. Voor een tiende seconde vergeet ik het links rijden en rechts kijken. Een meneer van rechts ziet me niet kijken en remt zodat ik tijd heb om hem te zien. Dat zou er nog bij moeten komen, een auto-ongeluk. De positieve nooit is dat ik dan in ieder geval wel een bed heb voor vannacht.

Niet veel later sta ik bij vriendelijke Joy aan de balie van het hotel. ‘Alright love, because you are a woman travelling alone, I put you in a room close to me. I don’t want you all alone on the other side.  That’s too dangerous. It’s the room for disabled people so it doesn’t have a bath. Do you mind?’ Ik zucht onhoorbaar en knik dat alles goed is, als ik maar een bed, wc en douche heb. Op dit moment maakt het me allemaal niet meer uit. Achter me staat een vriendelijke reus rustig te wachten tot Joy klaar is met het papierwerk. Hij lacht me vriendelijk toe. Het is Cornwall, dat gaat traag, zeker wanneer ze tussendoor ook nog haar radio programma moet volgen. *geluid weer wat harder* Mompelend commentaar van Joy naar mij. Ik knik weer automatisch terug. *geluid weer wat zachter* Uiteindelijk heeft ze toch alles voor elkaar gekregen. Ze geeft mij de papieren en ik sjok naar mijn kamer. Het is koud en kil maar er staat een groot bed.

Nadat ik een kop thee heb gemaakt en mijn dinner, lees: bountyreep, oppeuzel,  open ik mijn laptop om al mijn werkmail af te handelen. Mijn hoofd duizelt van vermoeidheid. Maar dit moet. Dit stond gepland voor vandaag als ik gewoon om half drie in mijn caravan had gekund.

Daar zit ik dan, met de ene helft van mijn spullen, zoals adapters, tandpasta en shampoo, in de caravan en de andere helft, mijn kleding, m’n tekenspullen, nog in de auto. Digital nomad krijgt zo ineens een hele andere betekenis. Ik twijfel even of ik niet gewoon naar huis moet rijden. Weg van hier. Maar ik besluit te blijven. Ik ben te moe om te rijden. Misschien kijk ik er morgen anders tegen aan. Ik weet dat ze in Cornwall altijd wat achterlopen maar wanneer er in de informatie staat, dat het park dicht is in januari, zou het volgens mijn kalender nu toch echt open moeten zijn.

Voor nu heb ik in ieder geval een slaapplek. Ik lig veilig dichtbij Bulldog Joy die mij met ongekende krachten zal beschermen. De rest komt later!