Het is de laatste dag dat we de kinderen hebben. We zijn onderweg naar Plymouth als ik een hotline heb met Nederland. Zoonlief is ziek. Dochterlief is onderweg naar hem. Oma probeert ook bij te springen en ik zit kansloos met mijn telefoon in mijn handen en voel de tranen branden. Dit was niet wat ik in gedachte had toen ik de trip boekte.

Ik was hier nog maar net, toen mijn dochter belde dat ze opa met spoed naar het ziekenhuis moest brengen. Normaal ben ik altijd de go-to-dochter, nu moest dochterlief het overnemen. Ze houdt me op de hoogte en uiteindelijk kunnen we allemaal opgelucht adem halen. Een paar dagen later appt dochterlief dat ze, terwijl ze met een gangetje van 100 over de snelweg sjeesde met kind en hond achterin, ineens een klapband had en zowat een innige omhelzing met de vangrail had. Mijn hart zakt lager dan laag bij het idee wat er allemaal mis had kunnen gaan, als ze niet zo geweldig had gereageerd. Als ze uiteindelijk belt om het hele verhaal te vertellen, hoor ik de stress in haar stem en ik wil alleen maar terug om haar stevig vast te houden totdat de stress uit haar lichaam weg ebt. Maar ik zit hier, niet daar.

Net wanneer je denkt dat de rust is terug gekeerd, blijkt zoonlief behoorlijk ziek te zijn. Het aloude b12 verhaal. Hij wil zelf geen injectie zetten. Hij wil niet naar de dokter. Hij wil gewoon eigenlijk helemaal niks. Dwarse puber als dat ie is, gaat ie overal tegen in en mag ik niet zeuren. Het is géén B12, appt ie geïrriteerd terug.  Dochterlief is ook bezorgd en gaat kijken hoe het met hem gaat. Ze stuurt een foto van hun samen. Het voelt alsof iemand heel hard in mijn hart knijpt, als ik hem op de foto zie zitten. Wat ziet hij er slecht uit en waarom neemt hij die verdomde injectie niet en waarom zit ik hier en ben ik niet daar?

We maken nog een laatste stop bij de Mac voordat we de kinderen in Plymouth afzetten. De meisjes kijken me stilletjes aan, niet begrijpend waarom ik tranen in mijn ogen heb. Waarom ik zo stil ben en niet de gekke Mimi die ze gewend zijn. Ik leg uit dat mijn zoon heel erg ziek is en dat ik me zorgen maak. De oudste geeft me haar speeltje van haar HappyMeal ‘for good luck’. De jongste weet niet goed wat ze moet zeggen. Normaal doe ik altijd gek. Ik zing keihard mee met Rick Astley. Ik sta raar te dansen in de kamer. Ik trek rare gezichten om ze aan het lachen te krijgen en ik doe heel veel vlechten maken. Maar nu even niet. Nu zit ik met tranen in mijn ogen naar mijn telefoon te staren, bezorgd over mijn zoon, stilletjes aan tafel. Voor een moment haat ik het hier. Ik haat het dat ik zo ver weg ben. Ik wil weg. Ik wil niet hier zijn, ik wil daar zijn. Terug naar huis. Daar waar ik mijn kinderen veilig kan houden. Injecties kan zetten. Moeder kan zijn.

Niet veel later, nadat we de kinderen hebben afgezet, zitten we samen stilletjes in de auto. Ik probeer me groot te houden en niet te huilen. Vriendlief ziet het. ‘Gooi het er toch allemaal uit! Het komt echt wel weer goed.’ zegt hij bemoedigend. ‘We hebben een klok voor hem gekocht waar hij waarschijnlijk al een perfecte plek voor aan het zoeken is.’ Ik lach door mijn tranen heen. De twee uur durende rit trakteert ons op het uitzicht en landschap waar ik normaal zo van hou. Een ondergaande zon maakt het plaatje compleet door de lucht vuurrood te kleuren. Had ik hem maar hier bij me, dan kon ik er voor zorgen dat zijn pijn weer verdwijnt.

‘Nog 2,5 dag en dan ben ik weer thuis. Hou nog even vol!’ app ik hem. Maar er komt geen antwoord. Ik leg mijn telefoon weg en staar in de verte. Bij elk uitblijvend antwoord maak ik me meer zorgen. Het komt wel weer goed. Het moet wel weer goed komen. Nog 2,5 dag en dan ben ik weer thuis. Nog 2,5 dag voordat hij weer kan mopperen omdat ik hem weer om de oren sla met injecties en overbezorgd om hem heen kan dreutelen met medicijnen, pillen en lekker eten. Nog 2,5 dag. Dan ben ik weer daar en niet meer hier.