Zo’n spin(sel)

Zo’n spin(sel)

In mijn ooghoek zie ik hem, als een roadrunner, van de ene kant naar de andere kant van de kamer rennen. Een enorme zwarte renspin. Ik spring op. Waar is hij gebleven? Op m’n tenen sluip ik, alsof hij me in een karategreep op de grond kan smijten, naar de keuken om een glas te pakken. Bewapend met het glas in mijn hand, wiebel ik wat aan de eettafel. Hij sprint weg. Ik gil. Ik spring. Hij verstopt zich nu weer in de andere hoek. Ha! Nu kan ik je van achter aanvallen. Supersnel zet ik het glas over z’n hoofd. Als een nascarwagentje wat aan het driften is, rent hij keihard rondjes onder het glas. Ik kruip weer op de bank en staar naar zijn absurde, haast neurotische rondjes rennend gedrag. Ergens heb ik ook wel weer medelijden met hem. Empathisch als ik ben, snap ik zijn gevoel, opgesloten in een kleine ruimte, niet vrij kunnen ademen of bewegen. ‘Stuck in a moment’  Maar dan opeens zie ik hem niet meer voorbij komen racen. Ik staar naar het tapijt rond het glas, hij zou er toch niet onder vandaan zijn gekropen. Ik kijk nog een keer goed in het glas en zie een opgerold bolletje met acht pootjes. Verrek. Hij heeft zijn situatie geaccepteerd en is in een hoekje in slaap gevallen. Gevoelsmatig wil ik eigenlijk een klein dekentje over hem heen leggen. Wat een bizarre spin. Als hij morgen wakker is, zal ik hem buiten vrijlaten in het bos, met de vraag of hij alsjeblieft niet terug wilt komen.

Als ik de lichten in de woonkamer uit heb ik gedaan, sjok ik naar de slaapkamer. Mijmerend vraag ik me af, of ik, net als die spin ook mijn situatie moet accepteren? Hoe vaak is er tegen mij gezegd: “Leer er maar mee leven” Ze kunnen het op mijn grafsteen zetten, als ik dood ben. ‘Zij, die er niet mee leerde leven, is nu dood! Wat moet ik nou met die informatie, ‘er mee leren leven’. Hoe moet ik er mee leren leven, als leven, niet meer écht leven is.

De kern van dit probleem is niet, de onbekende ziekte, die mij moe en ziek maakt. Maar het creatieve hoofd dat nog té veel wil. Gisteren schreef ik me pardoes in, voor een cursus: ‘Schrijf je eigen memoires‘ Geweldig! Altijd al willen doen. Maar ik had ook nog een cursus ‘Botanisch tekenen’ staan. Ik heb nog een kinderboek af te maken en geloof het of niet, terwijl ik zo naar de Cornische Charly keek, die lekker knus lag te slapen onder zijn glaasje, kwam er een nieuwe brain wave. Het volgende boek wordt minstens 80 pagina’s dik, met elke pagina een verhaaltje. Of worden het 366 verhaaltjes, voor elke dag één? Het wordt in ieder geval dik. Heel dik! Hardcover en dik. Een uitdaging.

Dit zijn alleen nog maar de creatieve dingen, die mijn hoofd wil maken. Daarnaast wil ik ook nog zoveel plaatsen bezoeken. Ik wil nog zoveel doen, zien, voelen, ruiken, leven maar voor alles is energie nodig. Zoals de meeste mensen hun tijd managen, moet ik mijn energie managen. Voor elk uur dat ik met iemand doorbreng, een plek bezoek of iets creatiefs doe, moet ik minstens drie uur rusten. Plat liggen zoals een telefoon aan de oplader lig. Het is om moe van te worden. Letterlijk.  Andere mensen die minder doelen nastreven, zouden prima kunnen leven met mijn onbekende ziekte. Ik niet. Ik word er ziek van. Mijn hoofd staat nooit stil.

Mijn oma zei vroeger altijd: ‘Een spin in de morgen, brengt kommer en zorgen maar een avondspin brengt zegening.’ Misschien moet ik het zien als een teken van boven, Charly in zijn glaasje. Misschien wil mijn oma zeggen: ‘Alles komt écht goed.‘ Ik proef bijna de smaak van de bonbonnetjes, die ze altijd klaar had staan als ik kwam logeren. Wat mis ik haar soms nog steeds. Misschien lees ik er te veel in en is Charly gewoon een spin die langs kwam rennen. Een verkeerde afslag. Hij verwachtte een lege caravan en wilde met zijn spinnenvriendjes een knalfuif geven. Wat het ook is, ik ga er vanavond niet meer uit komen. Charly slaapt en ik vrees dat ik hetzelfde moet gaan proberen!

PS: Wie zich afvraagt wie Charly is? Charly is het eerste kinderboek wat ik geschreven én geïllustreerd heb.

Meer informatie over Charly gaat op reis vind je achter deze link.

Bitch Dennis

Bitch Dennis

‘Dennis wordt in Verenigd Koninkrijk één van de zwaarste stormen ooit.‘ Dochterlief tagt me in een bericht op Facebook. Wat moet ik hier nou weer van denken. Misschien was mijn ‘bring it on, bitch‘ van gisteren toch een iets té enthousiaste reactie op de continue modderstroom aan de ellende van deze reis. Sinds vrijdag is het weer steeds slechter geworden maar de caravan staat redelijk beschut achter de Belheuvel. Ik ben omringd door bomen, toch ga ik er van uit dat de heuvels mij bescherming bieden.

De hele avond regent en waait het flink door. Het klinkt wel gezellig. Mijn gashaardje snort knus en ik kijk reruns van Alley McBeal op tv. Pas toen de nacht viel en ik rond één uur wakker schrik van een klap, ben ik direct klaarwakker. Dennis! Ik luister naar de spookgeluiden. In mijn hoofd creëert zich automatisch een doemscenario en een plan. Ha, plan! Ik zou er echt mee moeten stoppen met die plannen. Terwijl ik wat dieper onder de dekens kruip, slaat mijn creatieve brein voor heel even op hol. Bomen die op de caravan vallen, ik kom vast te zitten onder de boom en het dak en het puin, regen sijpelt naar binnen. Ik heb geen telefoonbereik dus ik kan ook niemand bellen om me te redden. Er is verder niemand op het kamp die me kan horen en uiteindelijk zullen ze mijn zielloze lichaam de volgende dag tussen de puinhopen van Dennis vinden. Een tragische dood, gestorven door onderkoeling.

Ik schud even met mijn hoofd. Ik ben altijd wel een kouwelijk persoon maar dit gaat me te ver. Ik pak m’n deken en kussens en vertrek naar de woonkamer. Als er al iets gebeurt, dan heb ik hier meer kans om te ontsnappen. De bank ligt helemaal ruk. Te smal, te hard. Mijn heupkop begint te branden van de pijn. Als ik door het gordijntje naar buiten peek, zie ik niets. Het is overal donker. Het buitenlicht waar ik al vaker wat van heb gezegd is weer kapot. Mijn brein gaat verder met creatieve Hollywood scenes in mijn hoofd af te spelen. Wat als er een verdwaalde, rondvliegende boom op mijn auto valt. Dan kan ik niet meer naar huis. Wat als de caravan omver geblazen wordt of met een modderstroom meegesleurd wordt. Wat als er een koe in mijn woonkamer beland. Mijn tekeningen, waar ik zo hard op heb zitten werken moet ik in veiligheid brengen. Ik spring gelijk van de harde bank. Ik zoek een plekje waar het mij het meest veilig lijkt voor mijn tekeningen en laptop. Ik sta midden in de kamer met mezelf te discussiëren wat de veiligste plek zal zijn.

De tijd tikt langzaam door en uiteindelijk worden de spookgeluiden minder. Ik besluit weer terug te gaan naar bed waar het toch ietsje comfortabeler ligt. Uiteindelijk val ik dan toch nog even in slaap om na twee uurtjes weer wakker te schrikken. Ik ben nog steeds moe. Was ik hier niet gekomen, om even weg te zijn uit alle shit. Even tot rust te komen? Tot nu toe is dat nog niet echt gelukt. Voor heel even trek ik de dekens over mijn hoofd. Maar de nieuwsgierigheid wint het van mijn slaap. Staat mijn caravan nog op dezelfde plek? Staat mijn auto nog voor de deur? Liggen er geen bomen voor de deur en koeien op het dak?

Ik besluit uiteindelijk om op te staan en aan de dag te beginnen. Het is ondertussen licht geworden. Behalve de regen, lijkt alles er normaal uit te zien. Een normale zondagochtend, met een normaal ontbijt  en Dennis? Dennis is hopelijk ondertussen richting Nederland gevlogen en laat mij verder met rust. Ik heb nog voor twee dagen voedselvoorraad in huis, daarna zien we wel weer verder!

Bring it on, bitch

Bring it on, bitch

Na een paar verdwaasde, oh-help-waar-ben-ik-momentjes gedurende de nacht, werd ik ‘s morgens iets uitgeruster wakker dan dat ik naar bed was gegaan. Mijn ogen brandden nog steeds en m’n hoofd duizelde iets minder als de dag er voor. Ik zat rechtop in bed. Tijd voor een plan! Of was dat niet verstandig, gezien mijn ervaring met plannen.

Het belangrijkste wat ik voor vandaag nodig heb, is een adapter. Ik weet hoe vreselijk men er over spreekt dat we allemaal zo verslaafd zijn aan onze apparatuur. Maar die apparatuur houdt me in contact met het thuisfront, die zich toch wel zorgen maakte over mij. Daarnaast zorgt de laptop er voor, dat deze reis überhaupt betaald kan worden. Digital Nomad, ik kan overal werken als ik maar een laptop, stroom en wifi heb. Er stonden al heel wat mailtjes te knipperen dus het werd tijd dat ik actie ging ondernemen.

Na een overheerlijk ontbijt dat bestond uit een kop thee en ja, je raadt het al, weer een bounty, reed ik met vol goede moed naar Poundstretcher. Ik had totaal geen zin om Penzance in te gaan, ik wilde gewoon de spullen die ik nodig had en weer terug naar de kamer. Helaas! Deze reis zou zich geen eer aan doen als het allemaal te makkelijk zou gaan. Ik vond wat vage merken shampoo, deodorant en tandpasta maar het meest cruciale, een adapter voor een stekker van mainland naar UK hadden ze niet. De vreselijk aardige mevrouw zette de hele winkel op z’n kop en brulde op z’n Cornisch vanuit het magazijn: “We still had lots of them yesterday.’ Met een rood hoofd kwam ze weer terug waggelen. ‘Sorry, love but there is nothing left.’ Ik weet niet goed hoe ik dit moet verwerken want het lijkt er op dat iemand mij stelsmatig aan het dwarsbomen is. Ik bedank haar voor de hulp en ga door naar de volgende winkel. BM Bargains. Die winkel is zó groot, die moeten er zeker ééntje hebben. Helaas. Niks. Alleen van UK naar Mainland. Ik voel een Brexit invloed hier. Zij mogen wel naar Spanje maar wij mogen niet naar Engeland. Argos dan. Argos heeft zijn winkel in Sainsbury dus als Argos ook niets had dan zou ik Sainsbury nog kunnen proberen. Ik had gehoord dat de adapters wel schreeuwend duur zijn bij Sainsbury maar dan héb ik in ieder geval een adapter.

Ondertussen werd het weer steeds slechter. Het begon te regenen en ook de wind wakkerde aan. De beroemde retorische vraag: ‘Anything else?’ durfde ik al bijna niet meer te stellen. TIEN POND voor een adapter? Zijn ze helemaal van de pot gerukt. Ze zijn een pond bij poundland! Zou ik dan toch echt de stad in moeten rijden? Ik had hier zo geen zin in gezien de weersomstandigheden en het feit dat ik op deze roadtrip óók nog eens mijn winterjas vergeten mee te nemen van huis.

Voordat ik naar Penzance zou moeten rijden, spit ik Sainsbury uit. Ik zoek op elk schap, in elke hoekje en plankje. Halleluja, Praise the Lord, daar lagen ze dan, voor maar vijf pond. Naast de adapters voor alle Engelsen die naar Europa gaan, voor drie pond. Ik voel een ongekend oneerlijk gevoel opborrelen maar grijp de adapter voordat ie kan verdwijnen. Nu ik hier toch ben, pak ik gelijk wat eten mee voor de lunch en diner. Ik ben verbaasd over wat je allemaal kunt doen met een waterkoker en een vinger. Creativiteit is ook een overlevingsstrategie, Mrs MacGyver!

Niet veel later, terug op de hotelkamer, wil ik direct laptop en telefoon aan de oplader gooien. Ik staar naar de verpakking. De adapter is totaal geseald in plastic. Heel even laat ik mijn schouders hangen maar dan denk ik, nee. Nee, jullie krijgen me niet klein! Als er iets is, wat mij dit avontuur heeft geleerd, is dat ik veel meer kan dan ik dacht, dat ik creatief en innovatief ben en dat ik onder alle omstandigheden altijd weer een oplossing vind. Als je al in een hogere macht gelooft, in Karma of een schuld inlossen voor wat je in je vorige leven gedaan zou hebben, dan zeg ik op mijn beurt opnieuw en keer op keer: Fuck you!  Je krijgt me niet klein. Fuck you! Mocht je me opnieuw vertwijfelt hoor mompelen: ‘Anything else?’ dan moet je ook de ‘Bring it on, bitch!’ gehoord hebben die daar achteraan hobbelde.

Uiteindelijk krijg ik de adapterverpakking op creatieve wijze open. Ik plug alle apparatuur in, zet een kopje thee en peuzel heerlijk aan mijn creatief gemaakte sandwich. ‘Bring it on, Bitch, bring it on!’

Plannen zijn er om veranderd te worden

Plannen zijn er om veranderd te worden

Het leek zo’n goed idee, even weg te gaan uit de stress van ziekenhuizen en onderzoeken. Gewoon even resetten in Relubbus om daarna weer enthousiast aan alle onderzoeken deel te nemen. Het thuisfront kon niet wachten tot ik vertrok dus ik besloot ook nog eens een dag extra er aan te plakken. Als ik op donderdag zou vertrekken, zou ik de vakantiedrukte voor zijn. Het was leuk bedacht. Zoals al mijn plannen, liep dit plan ook weer behoorlijk in de soep. Ik zeg niet voor niets: ‘plannen zijn er om veranderd te worden.’ als iemand me weer naar ‘mijn plan’ vraagt. Ik plan doorgaans niet. Ik weet dat er toch nooit wat van terecht komt. Daar heb ik ooit besloten om gewoon bij de dag te leven. Scheelt een berg aan energie doordat ik niet meer hoef te plannen of plannen te wijzigen. Of gestrest te raken dat mijn plan wijzigt.

In de dagen voor mijn vertrek, stapelden de problemen zich al op. Kleine dingetjes, dat wel, maar toch van die dingetjes die mij het gevoel gaven, dat ik beter thuis kon blijven. Ik rook de ellende in de lucht. Ik probeerde het weg te wuiven, pakte zorgvuldig mijn koffer en mijn tekenspullen in om alsnog gewoon naar Cornwall te rijden.

Zoals altijd, sliep ik weinig op de avond voor vertrek. Op de één of andere manier ben je toch onbewust bezig met de reis, niet willen verslapen, de trein niet willen missen. Om kwart voor drie ‘s nachts was ik klaar, helemaal, wakker. Ik besloot er maar uit te gaan, te ontbijten en mijn laatste spulletjes te pakken. Eenmaal aangekleed en klaar voor vertrek, zei ik het thuisfront nog even gedag en vertrok uiteindelijk 3.40 richting Calais.

Ik moet toegeven dat het geen geweldig besluit was geweest om zo moe te gaan rijden maar ik had geboekt dus ik moest wel gaan. Toen het in België ook nog flink begon te regenen en waaien, kreeg ik steeds meer moeite om op de weg te blijven. Ik had maar één doel voor ogen en dat was de trein halen. Veel te vroeg kwam ik al om half zeven aan in Calais. Mooi! Ik zou vast een vroegere trein krijgen. Helaas! Ik werd gewoon voor 7.55 geboekt. Ik kon er mee leven. Uit ervaring wist ik dat ik dan alsnog op tijd in Cornwall zou aankomen. Ik pakte, echt Hollands, mijn thermoskannetje en mijn pakje boterhammen uit mijn tas en scrolde wat door mijn Social Media heen.

Rond half acht plaatselijke tijd kwam ik aan in Folkestone. Zoals altijd reed ik eerst naar Tesco voor boodschappen en benzine. Traditiegetrouw was de kassière weer uitermate lief en vriendelijk en nog net zo traag. Ach who cares om half acht ‘s morgens.  Ik had mijn natje en m’n droogje voor de komende dagen, mijn auto zat vol met benzine. Het laatste stuk van de rit kon beginnen. Vol goede moed reed ik in zeven uur naar Relubbus. Gekkenwerk! Maar ik was moe en ik wilde er gewoon zijn!

Om 14.24 plaatselijke tijd reed ik vrolijk het park op. Iedereen zwaaide vrolijk en ik zwaaide vrolijk terug. Wat is het hier toch altijd heerlijk. Totdat er ineens, 50 meter voordat ik bij mijn caravannetje was, een hysterische dame voor mijn auto sprong. Ik trapte verschrikte op de rem. Vijftig meter! Ik kon hem zien. Ik kon hem net niet aanraken. Toen ik op dat moment met een glimlach mijn raampje opendraaide, had ik geen idee wat me te wachten stond. Op bijna hysterische legde ze me uit dat ik het park niet op mocht.
‘What?’ vroeg ik stamelend. Ik ben moe maar niet zo moe dat ik waanideeën ga krijgen. Het park is tot 15 februari gesloten. Iedereen heeft er een brief over gehad. Het heeft op alle social media kanalen gestaan. Ik had het moeten weten, beet ze me snibbig toe. Ik voel de tranen prikken en stamel waar ik dan heen moet, ik ken hier niets. Dat interesseerde haar weinig. ‘De manager komt zo, vraag het maar aan hem!’ Beet ze me lelijk toe. ‘Maar ga er maar niet vanuit dat je kunt blijven.’

Ik parkeer de auto op de parkeerplaats en zie rechts van mij, de caravan staan. Zo dichtbij en toch net niet. Story of my life, denk ik bij mezelf. De tranen prikken niet meer maar stromen, net zo wild als het beekje naast me, over mijn wangen. Wat moet ik nou?
Niet veel later komt de manager met zijn vrouw. De manager die altijd met een vriendelijk woord en grapje klaar stond, blijft nu achter z’n vrouw in het donker staan. Ook zij zegt snibbig dat ik weg moet. Waar is de Cornische vriendelijkheid gebleven? Ik heb  twaalf uur gereden. Ik ben duizelig van vermoeidheid, er is een probleem en er wordt nog geen kopje thee aangeboden.

Hier blijven staan heeft geen zin. Ik druip af. Ik voel de ogen van de twee snibbige vrouwen als laserstralen in mijn rug branden. Als ik het kronkelende weggetje weer af rijd terug naar de doorgaande weg, stromen de tranen onophoudelijk. Het voelt een beetje als 1997, het jaar dat ik ineens voor een paar maanden dakloos en thuisloos was. Of 2003 toen de banken mij, m’n peuter en m’n baby het huis uit wilde zetten omdat Ex niet alleen ons, maar ook de banken had opgelicht. We stonden praktisch op straat. Zoveel oud zeer kwam er ineens naar boven in een overweldigende paniekreactie.

Ik parkeer mijn auto bij een KFC. Mensen die langslopen kijken raar. Gelukkig ben ik niet de enige met een slechte dag. Een stukje verderop staat een vrij corpulente vrouw, met een te vaak gebleekt permamentje, overdreven hard te krijsen tegen iemand in de auto. Ik vermoed dat het haar partner was. Door mijn tranendal heen moet ik er om grinniken. Dit verzin je niet. Dit is mijn leven. Daar sta ik dan weer, met m’n koffertje, op een parkeerplaats, zonder verblijfplaats terwijl Coronation Street, achter mij een scene aan het oefenen is. Ik probeer heel hard mijn tranen weer weg te slikken. Vriendlief belt. Hij heeft uiteindelijk een hotelkamer gevonden, niet heel ver van mijn parkeerplaats vandaan. Het is maar 15 minuten rijden. Bijna alles was of vol of gesloten. Ik zag het positieve er maar weer van in. Ik heb vast een kamer met bad.

Ik start de auto en rij dezelfde weg terug als dat ik gekomen ben. Voor een tiende seconde vergeet ik het links rijden en rechts kijken. Een meneer van rechts ziet me niet kijken en remt zodat ik tijd heb om hem te zien. Dat zou er nog bij moeten komen, een auto-ongeluk. De positieve nooit is dat ik dan in ieder geval wel een bed heb voor vannacht.

Niet veel later sta ik bij vriendelijke Joy aan de balie van het hotel. ‘Alright love, because you are a woman travelling alone, I put you in a room close to me. I don’t want you all alone on the other side.  That’s too dangerous. It’s the room for disabled people so it doesn’t have a bath. Do you mind?’ Ik zucht onhoorbaar en knik dat alles goed is, als ik maar een bed, wc en douche heb. Op dit moment maakt het me allemaal niet meer uit. Achter me staat een vriendelijke reus rustig te wachten tot Joy klaar is met het papierwerk. Hij lacht me vriendelijk toe. Het is Cornwall, dat gaat traag, zeker wanneer ze tussendoor ook nog haar radio programma moet volgen. *geluid weer wat harder* Mompelend commentaar van Joy naar mij. Ik knik weer automatisch terug. *geluid weer wat zachter* Uiteindelijk heeft ze toch alles voor elkaar gekregen. Ze geeft mij de papieren en ik sjok naar mijn kamer. Het is koud en kil maar er staat een groot bed.

Nadat ik een kop thee heb gemaakt en mijn dinner, lees: bountyreep, oppeuzel,  open ik mijn laptop om al mijn werkmail af te handelen. Mijn hoofd duizelt van vermoeidheid. Maar dit moet. Dit stond gepland voor vandaag als ik gewoon om half drie in mijn caravan had gekund.

Daar zit ik dan, met de ene helft van mijn spullen, zoals adapters, tandpasta en shampoo, in de caravan en de andere helft, mijn kleding, m’n tekenspullen, nog in de auto. Digital nomad krijgt zo ineens een hele andere betekenis. Ik twijfel even of ik niet gewoon naar huis moet rijden. Weg van hier. Maar ik besluit te blijven. Ik ben te moe om te rijden. Misschien kijk ik er morgen anders tegen aan. Ik weet dat ze in Cornwall altijd wat achterlopen maar wanneer er in de informatie staat, dat het park dicht is in januari, zou het volgens mijn kalender nu toch echt open moeten zijn.

Voor nu heb ik in ieder geval een slaapplek. Ik lig veilig dichtbij Bulldog Joy die mij met ongekende krachten zal beschermen. De rest komt later!

 

Geef me lucht

Geef me lucht

‘Ik ga naar Engeland.’ zeg ik ferm tijdens een family meeting. ‘Ik vertrek donderdag en blijf anderhalve week weg.’ Iedereen kijkt me enigszins in shock aan. Ik ben nooit zo van het ineens weggaan. Ik voel teveel verantwoordelijkheid voor alles en iedereen. Té vaak trek ik mijn superwomanoutfit aan en vlieg naar de ramp in mijn rode autootje.
‘Veel plezier.’ zegt zoonlief en sjokt weer terug naar zijn game. Voel de liefde van je puberende kinderen, denk ik bij mezelf.

De knop ging om na een bezoek aan mijn ouders. Mijn vader, die een zware decembermaand had gehad door een operatie, is ondertussen prima hersteld. Alleen zijn HB gehalte blijft wat laag. Eet maar wat extra ijzer, had de dokter gezegd, als dat niet helpt dan eventueel ijzerpillen of een infuus. Mijn vader zei stellig dat hij ziek wordt van ijzerpillen, net als ik, en dat hij per direct een infuus wil. Ik grinnikte. ‘Tuurlijk, pa, ze staan direct voor je klaar.‘ Hij kijkt me aan en bevestigt dat dat zo is. ‘Ja, je moet dat gewoon eisen. Ik wil dat en ik wil dat nu!‘ zegt hij. ‘Ik ga eind van de maand op vakantie en ik ga niet nog een maand wachten tot de waarde omhoog gaat.’ Precies dat. God forbid dat je een maandje langer moet wachten, denk ik bij mezelf. Dat je je lichaam zelf laat herstellen. Dat je drukke leefschema in de war wordt gegooid zoals ie bij mij al jaren door de war wordt gegooid.

Ik knik. Ik weet dat een weerwoord naar hem verspilde lucht is. Ik zuig een hap zuurstof naar binnen. Zuurstof wat nergens heen kan, want ik heb ook geen ijzer in mijn bloed. Een probleem waar ik al meer dan twee mee worstel. ‘Neem maar een ijzerpil.‘ zeiden de dokters. ‘Eet maar wat gezonder.’ Ik werd steeds zieker. Ze stuurden me van deurtje naar deurtje, de ene -oloog na de andere, terwijl mijn leven doorging en toch ook stil stond. Een leven waarin ik ouders in het holst van de nacht naar de spoedeisende hulp breng, met dochter naar het andere ziekenhuis, waarin mijn werk projecten gewoon doorgaan, net als mijn huishouden. Iedereen die aan me trekt, wat van me nodig heeft. Ik eiste een infuus. Ze lachten me uit. Ik zucht nog een keer diep, hopelijk blijft er wat zuurstof aan dat ene verdwaalde ijzerbolletje hangen. Het voelt alsof je continue in een plastic zakje ademt.

Ik gun het m’n vader echt hoor. Met alle liefde. Maar waarom krijgt hij binnen 24 uur de hulp die hij eist en moet ik er maar mee leren leven. Ik wacht al twee jaar. Ik krijg geen infusen of injecties want ik ben ‘te jong’ Ik koop mijn eigen ijzer infuus in een privékliniek en voel me voor een maandje heel even beter. Een ijzerinfuus is een verschil van weer kunnen leven of bijna dood zijn. Waarom beginnen ze voor hem direct te rennen en hoor ik dat ik er maar mee moet leren leven. Waarom zit het bij hem altijd mee en bij mij altijd tegen. Als ik hem probeer uit te leggen dat ik me zo al twee jaar voel, wuift hij dat weg. Onzin! Ik voel me door iedereen onbegrepen, niet gehoord. Je ziet niets dus er is niets. Ik doe nog alles wat ik moet doen, op 10% van normale energie,  dus het zal wel wat overtrokken reactie zijn. Ik vraag me weleens af hoeveel ik kan bereiken als ik 50% energie had of 100%. Zou mijn wereld dat aankunnen? Ondertussen blijf ik glimlachen naar de buitenwereld terwijl mijn lichaam pijn doet. Heel veel pijn.

Ik heb lucht nodig. Lucht en ademruimte. Als ik weer thuis ben, boek ik direct een ticket naar Engeland. Alleen. Ik wil ademen. Ik wil me goed voelen. Ademruimte. Rust. Even niet meer rennen en hollen voor iedereen maar gewoon stilstaan. Ik wil me niet onbegrepen voelen. Ik wil gewoon even ‘ik’ zijn. Want als ik terug kom, staat de volgende -oloog alweer te wachten met slangetjes en onderzoeken om daarna opnieuw te horen dat ik er maar mee moet leren leven.