Woensdagmiddag. Terwijl zoonlief en vriendje Krullebol aan het stoeien zijn met kussen en dekens probeer ik nog wat werk af te maken. De radio speelt zachtjes op de achtergrond. In gedachten zing ik mee. Althans, ik dacht dat het in gedachten was. “Now our love’s floating out the window. Our love’s floating out the back door. Our love’s floating up in the sky. In heaven, where it began. Back in God’s hands.” Het blijft een lekker meezingnummer.
Ik hoor het ineens erg stil worden in de kamer. Stilte en kinderen is een slecht voorteken dus ik kijk snel op van mijn werk. Zoonlief en Krullebol staan me glazig aan te kijken. Krullebol stoot zoonlief aan: “Is jouw mama zangeres?” Zoonlief gniffelt. “Nee joh, dat hoor je toch?” Ik stop pardoes met zingen. Zeg hee, als het toch zo erg is waarom moet ik je dan elke avond in slaap zingen? Krullebol probeert me nog te overtuigen dat ie het echt wel heel erg mooi vindt. Zijn moeder zingt nooit voor hem. Toch ben ik maar even stil. Maar zodra het publiek weer is verdwenen tussen de kussens en de dekens begin ik weer automatisch te zingen. Het is gewoon niet te stoppen. Publiek of geen publiek. Als er muziek is moet je zingen of dansen of allebei! “I’m not the kinda girl who gives up just like that. The tide is high But I’m holding on. I’m gonna be your number one…..

Loading