Het eind van deze trip komt in zicht. Wat ik niet meer verwachtte, gebeurde toch. Ik begon me beter te voelen. Had ik nou serieus energie? Na een hele week binnen te hebben gezeten, vond ik het op donderdag tijd worden, om een frisse neus te halen. Het was eindelijk even droog dus ik besloot naar Penzance te gaan. Het deed me goed. Na een week voelde ik eindelijk de stress weg ebben, snuffelend door de kleurrijke charity shops, op zoek naar wéér een nieuwe tas. Wat is het toch moeilijk om de perfecte tas te vinden. Zouden doorsnee vrouwen daarom zoveel tassen hebben?

In één van de vele overvolle winkeltjes, hoor ik een moeder aan haar zesjarige dochter vragen, hoe de blauwe pet haar staat. Ik zie de pet. Ik wil de pet. Ik krijg de pet. Het kind haalt haar schouders op en mompelt: ‘whatever’ Ik rol één oog naar mijn achterhoofd vanwege haar opmerking maar hou de andere op de blauwe pet. ‘Leg hem terug!’ sis ik in mijn hoofd. ‘Leg terug! Nu!’ De vrouw keutelt nog wat rond met de pet in haar handen voordat ze de pet uiteindelijk toch terug legt. Zou ze me gehoord hebben? Heb ik superpowers en kan ik iemand z’n gedachten binnendringen. Lang om er over na te denken, had ik niet. Casual pak ik de pet van het rek en loop direct naar de kassa. Tussen pettenrek en kassa greep ik ook nog de perfecte tas mee. Mijn dag kon niet meer stuk.

Met een blij en voldaan gevoel kwam ik thuis. Eekhoorn zat met zijn armpjes over elkaar op me te wachten. Hij had nog steeds honger. Kwebbelend tegen Eekhoorn strooi ik zijn eten weer op het rekje. Ik kan een glimlach niet onderdrukken. Het voelt goed om me weer even goed te voelen. Omdat ik me goed voel,  besluit ik de volgende dag iets leuks te gaan doen, in plaats van weer te werken. Ik pak de toeristische boekjes, die ik verzameld heb, erbij. Ik wil iets anders dan waar ik al geweest ben; the lost garden of Heligan! Daar ga ik heen. Het klinkt als een sprookje.

De volgende ochtend twijfel ik nog een beetje, voel ik me goed genoeg. Ga ik wel, ga ik niet. Wat als ik verdwaal, vast komt te zitten, niet verder kan. Wat als ik al mijn energie op maak en dan weer niks kan doen.  Alle doemscenario’s en paniekaanvallen trekken aan me voorbij voordat ik besluit, gewoon maar weg te gaan. Ik tik het adres in de navigatie en vertrek. ‘At the end of the road, left and then again left.‘ zegt de vrouwelijke stem. Waar stuurt ze me in Godesnaam heen? Daar is helemaal geen weg. Ik doe toch wat ze zegt. Het blijft wel degelijk een weg te zijn. Alhoewel, het mag eigenlijk de naam ‘weg’ niet hebben. Mijn navigeerdame blijkt een zure, Engelse dame te zijn, die mij van Relubbus naar Heligan over alle Cornische landweggetjes stuurt, die ze maar kan vinden. Dit was dus mijn grootste angst. Maar hallo, mensen, zie mij hier eens over de smalle, ondergelopen weggetjes racen alsof ik hier al jaren woon. Schijtbenauwd om een trekker of iets anders tegenliggend tegen te komen, blijf ik het gas er ophouden. Ik wijk voor niemand, is mijn stelling. Gelukkig kwam ik ook bijna niemand tegen.

‘Turn right HERE’ gilt ze ineens. Ik sta op een brug. Er is geen right. Ook geen left. Mijn leven is niet zó zwartgallig dat ik met auto en al van de brug wil springen. Ik besluit om te draaien en niet meer naar haar te luisteren. Ik volg ouderwets te borden en kom uiteindelijk na 1 uur en 20 minuten, rete-trots, aan bij de secret garden of Heligan.

Ik had niet verwacht, dat het zo druk zou zijn. De ‘tuin’ is enorm. De tuin is ook enorm vol met moeders met schreeuwende kinderen. Nadat ik mijn kaartje gekocht heb, loop ik met de gekregen landkaart in mijn handen door naar de tuin. Ik kijk naar de kaart en ik kijk naar de borden. Zoonlief, waar ben je als ik je nodig heb. Ik ben zo vreselijk slecht in kaartlezen en navigeren. Uiteindelijk begin ik maar gewoon met lopen en kom al snel in een gebied waar niemand wil zijn. Ik geniet van de stilte. Ik geniet van de wandeling. Ik geniet van de natuur. Ik blijf lopen tot ik alles gezien heb.

De batterij was na 25 minuten al leeg, toch bleef ik lopen. De frisse wind door mijn haren. De rust om me heen. Het doet me goed. Uiteindelijk sta ik twee uur later weer bij de uitgang. Ik ben uitgeput. Duizelig door zuurstof gebrek. Mijn hoofd bonkt, mijn benen doen pijn. De waarheid ramt me weer knetterhard om de oren. Uitgeput plof ik in de auto. Op de automatische piloot rij ik terug naar Relubbus, terwijl ik de landweggetjes probeer te vermijden.

Als ik mijn auto voor de deur parkeer, kijkt een hele dikke Chinese eend me recht aan. ‘Hallo,’ zeg ik tegen hem,en wie ben jij?’ Hij houdt zijn koppie even scheef, alsof ie wil zeggen: ‘Je snapt toch wel dat ik alleen ducks praat?‘ Terwijl ik door blijf praten tegen hem, draai ik de deur van het slot en pak wat lekkers voor hem. Hij kijkt me dankbaar aan. ‘Je had wat eerder moeten komen, vriend, ik ga zondag alweer naar huis.‘ Ook Eekhoorn staat ongeduldig te tappen met z’n voetje. ‘Jaja, ook jij krijgt nog wat lekkers.‘ zeg ik tegen hem. Ik ga mijn vriendjes hier wel weer vreselijk missen.

Eenmaal binnen draai ik snel het gaskacheltje op hoog. Het is koud. Met een kop thee kruip ik op de bank. De komende 24 uur zzal ik weer compleet dood zijn. Mijn batterij moet opladen voor de terugreis. Ik heb dat goede gevoel en dat beetje energie wat ik had, helemaal moeten inleveren. De tol is hoog. Toch ben ik blij dat ik gegaan ben. Zij die er mee moet leren leven, ligt voor nu aan de oplader.