Select Page

‘Geen koorts? Geen pijn? Heb je al wat gegeten?’ Ik app dochterlief zaterdagochtend direct nadat ik na weer een onrustige nacht wakker word.
‘Mam, maak je niet zo’n zorgen. Alles gaat goed!’ Ik besluit het los te laten en het gewone leven weer te omarmen wat betekent dat ik als een idioot rondrace om alles weer op tijd gedaan te krijgen. Ik sjees met de stofzuiger door het huis terwijl de wasmachine hard staat te bonken. Iets met gebroken beton in de wasmachine, is mij verteld. Terwijl de hemel tranen met tuiten jankt, vlieg ik snel naar het huis van m’n ouders om de post binnen te halen en de plantjes van water te voorzien. Ik vlieg door de buien heen van de ene naar de andere supermarkt. Dit gaat lekker.
Uiteindelijk plof ik rond 4 uur op de bank met een kop thee om even op adem te komen voordat ik weer weg moet. Vriendin is verhuisd en we hadden al maanden geleden afgesproken maar door omstandigheden kwam het er maar niet van. Maar nee, nu echt!

Na een snelle hap rij ik met een alleraardigst plantenbakje, want ze haat bloemen die toch maar dood gaan, naar haar nieuwe huis. Ik geef haar een knuffel en besef dat ik haar toch wel gemist heb. Er is teveel  gebeurd. Met een kop thee op schoot, wisselen we onze verhalen uit. Over ziekenhuisopnames van kinderen tot aan ‘man’verhalen en pensioenvoorzieningen. Ineens rinkelt mijn telefoon. ‘DIT IS HET ALARM VAN DE FAMILIE VAN YPEREN’ Ik zucht. Nee he! Ik zei het gisteren nog, je zal net zien dat dat alarm ook nog eens afgaat. Ik druk 0 voor acceptatie en neem een slok  van mijn hete thee.

Vriendin kijkt me verbaasd aan. ‘Moet je niet wat doen? Politie bellen? Gaan kijken?’ Ik zeg dat ik straks wel even langs rij op weg naar huis maar voor nu vind ik het wel even best. We kletsen de avond voorbij tot het tijd wordt om naar huis te gaan. Voordat ik naar huis ga, rij ik, zoals beloofd aan mijn ouders, nog even langs. Ik parkeer mijn auto voor de deur. Alles is donker. Bij de buren is ook alles donker. Waarom is alles altijd enger in het donker. Ik zit veilig in mijn auto, moed te verzamelen om naar binnen te gaan. Maar ik schijt zeven kleuren blubber. Dochterlief komt met het geniale plan om te bellen. Als ik dan word neergeslagen, kunnen zij nog 112 bellen. Met de moed in de schoenen en het duidelijke commentaar van schoonzoon op de achtergrond, stap ik uit en loop eerst maar eens heen en weer. Ik praat hard om, wie er ook mag zijn, af te schrikken. ‘SUPERMAMA TO THE RESCUE.’ Ik zie niks. Ik geef woest een trap tegen de voordeur. Ik hoor nog steeds niks. Ik bel aan. Dochter giert het uit van het lachen. ‘Wat als er nu iemand opent doet, mam?’ Sja, wat is mijn masterplan eigenlijk. Kak, ik moet echt naar binnen maar ik durf niet. Waarom ben ik nou altijd de lul?! Er zijn nog twee dochters!

Ik neem een grote hap lucht en steek de sleutel in het slot. De deur gaat piepend open. ‘HALLO???’ roep ik keihard en bedenk me wat als er nou iemand hallo terug roept en vraagt of ik een bakkie thee wil. Ik open deuren en check alles beneden. Wat er boven ligt te slapen, laat ik gewoon slapen. Dit kost me tien jaar van mijn leven. Ik zie dat alles nog potdicht zit en vind het wel best. Ik ren naar buiten, draai de deur op slot, zet het alarm weer aan en schiet mijn auto in die ik snel op slot draai. De schoonzoon, die op de achtergrond hardop tips aan het delen was, over hoe een boef te vangen, krijgt even alle opgekropte stress over zich geen. Dat lucht op!

Uiteindelijk hangen we op en rij ik naar huis. Thuis vertel ik het verhaal in geuren en kleuren aan zoonlief en ik app mijn ouders dat ik bonuspunten verdien voor deze actie. Mijn vader antwoordt op zijn eigen liefdevolle manier: ‘Als je dit nou wat vaker doet, kun je een nieuwe carrière beginnen als bewaker.’ zich absoluut geen zorgen makend over de staat van zijn dochter.  Alleen mijn vader kan zo liefdevol reageren. De dankbaarheid druppelt door zijn berichtje heen. Mijn sarcasme overigens ook.

Ik heb het gehad met deze week. Ik hang mijn supermama-cape aan de haak en duik mijn bed in. Net wanneer ik heerlijk in dromenland lig, gaat de bel. Het is twee uur snachts en honderdduizend dingen schieten door mijn hoofd. Ik ren naar beneden, zwaai de deur open en zie een jongeman met fiets staan.
‘Kent u ook een Juliette?’ Ik knipper even met mijn ogen.
‘Ja, dat is mijn dochter?’ Ik vraag me af wat dit te betekenen heeft. Zou dit vier jaar geleden zijn gebeurd, had ik het niet eens raar gevonden. Ik vond wel vaker testosteronbommetjes in mijn tuin op zoek naar mijn knappe dochter. De jongeman die redelijk aangeschoten was gaat verder.
‘Juliette van de Putte?’
‘Ehm, nee ik denk dat iemand je een verkeerd adres heeft gegeven.’
Hij moppert, vloekt en tiert. Zijn vrienden op de achtergrond lachen en verontschuldigen zich dat ze hem zo op straat hebben gevonden.
‘Sorry, ik kan je ook niet verder helpen.’ en ik sluit de deur. Ik hoor ze nog een tiental minuten voor de deur overleggen voordat ze vertrekken. Terwijl ik weer in mijn warme bedje stap en de kat me vragend aankijkt, rol ik een laatste keer met mijn ogen, zover dat ze bijna in mijn achterhoofd blijven plakken. ‘Dit is duidelijk niet mijn week, Miller.’ mompel ik tegen de kat. Hij geeft me een kopje terug en doet z’n ogen knorrend weer dicht. Ik doe het licht uit en volg zijn plan. Een diepe zucht ontsnapt ons beiden.

Hopelijk laat de wereld me nu even met rust wat ik ben moe . Voor nu moet ook deze supermama eerst even wat slaap opdoen voordat ze weer de wereld kan redden.